De avonturen van Bernt Vliegend Hert

Geschreven bij een pitch voor een online mannenmagazine. Blogposts die een interessant verhaal aan de content toevoegen, in plaats van vier obligate regels bij een link.

*bij een artikel over de opening van het Caro hotel in Valencia*

De oude markies van Caro had ik ontmoet tijdens de regatta van Valencia, waarin mijn nieuwe jacht een glansrol zou vervullen, ook al had ik er toen nog geen idee van dat hij er zo gehavend uit zou komen. Ik werd uitgenodigd om in zijn loge te komen zitten, de zon scheen immers fel, en zo kort na mijn reizen met de pelsjagers in IJsland had ik er zichtbaar moeite mee. Hij bood me een glas gekoelde wijn aan, dat ik gulzig aannam. De markies wees op zijn jacht, een mooie veertigvoeter die helaas nogal geleden had onder zijn voorkeur voor bladgoud en opsmuk. De Isabella, vernoemd naar zijn vrouw.  Ik had over haar al veel verhalen gehoord, hoe zij als jonge socialité van nog geen twintig de oude markies om haar vinger had gewonden. Haar schoonheid moest van buitengewone klasse zijn, en ik was van plan mij zo snel mogelijk uit te laten nodigen in zijn villa aan de voet van de kathedraal.

Uit: De Dagboeken van Bernt Vliegend Hert, deel III

—————————

*bij foto’s van van Candice Swanepoel*

Op zo’n warm welkom had ik niet gerekend. Ik was net met veel moeite de grens met Namibië over gekomen, met mijn valies vol zeldzame vlinders uit de wetlands van de Zambezi-rivier. Een mooi cadeau voor mijn gastheer, een rijke herenboer die in Zuid-Afrika zijn fortuin had gemaakt met de verkoop van enorme hoeveelheden goedkope wijn. Voor zijn gast liet hij echter de wijn aanrukken die de markten nooit bereikten. Het kan aan die schier oneindige hoeveelheid hiervan hebben gelegen, of aan de Afrikaanse nachten, die zoals je weet lang duren en elk zinnig mens zijn verstand doen verliezen, maar ik werd betoverd door zijn dochter, die tegen de ochtend mijn vertrekken binnensloop. Ik ben nooit meer teruggegaan naar Swanepoel, maar de herinnering is mij altijd bijgebleven.

Uit: De Dagboeken van Bernt Vliegend Hert, deel VI

 

——————–

*bij een nieuwe lijn vulpennen*

Ik heb veel hachelijke situaties meegemaakt op mijn reizen, maar nog nooit heeft mijn overleven afgehangen van zo’n kleinood als in de haven van Singapore. Met Lev Walbeck, een goedaardige Rus die ik had ontmoet aan boord van de U.S.S. Starley trokken we door de straten op zoek naar een bar die nog open was, toen we drie Chinezen zagen, starnakel van de gin. Chinezen zijn normaal gesproken klein van stuk, maar een van hen was enorm, met vuisten die met gemak een spoorbiels zouden kunnen omvatten. Ze zochten ruzie, en het werd duidelijk dat wij hun uitverkoren slachtoffers waren. Mijn kleine Beretta had ik aan boord laten liggen, en ik zocht naarstig in mijn zakken naar iets dat ik als wapen kon gebruiken.  Ik vond alleen mijn vulpen, een geschenk van mijn vader. Ik veinsde te hoesten, boog dubbel en zoog de inkt uit de pen. Ik zwalkte op de Chinezen af, terwijl de zwarte inkt uit mijn mondhoeken droop, steeds heftiger spuwend en kokhalzend. Mijn list werkte; denkend dat ik aan een of andere besmettelijke tropische ziekte leed, wisten de dronken bruten niet hoe gauw ze zich uit de voeten moesten maken. Helaas was mijn pak was wel geruïneerd.

Uit: De Dagboeken van Bernt Vliegend Hert, deel IV, ‘Mijn tijd in de Oost’

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *