Kerstverhaal

De pakketboot van zeven uur was al vertrokken. Tot de volgende ochtend, kwart voor acht stipt, zou het eiland weer aan zichzelf overgelaten zijn, onbereikbaar voor de wetten en mores van het vasteland. Zo hoorde het te zijn. Ik stond op het punt waar de verharde weg overging in het strand, en tuurde naar de zee. Om de zoveel tijd werden de golven opgelicht door de rondzwaaiende baan van de vuurtoren, en met samengeknepen ogen tegen het opstuivende zand probeerde ik de sloep te vinden die de beloofde waar zou brengen. Na een tijd, wiens verstrijken ik alleen maar kon afleiden aan het breken van de golven, zag ik de punt van de sloep opduiken bij de ronding van de pier. De bladen van hun riemen waren omwikkeld met doeken, om het geluid zoveel mogelijk te maskeren. Ook al was het kerst, je kon nooit zeker weten of er die avond niet een patrouille zou zijn.

De laatste paar meters werd de sloep aan land getrokken, door de roeiers die tot hun middel in het water stonden. Kratten vol met binnenlands gedistilleerd, een paar pakjes tabak, Indisch, aan de kunstig gestempelde patronen op het papier te zien, werden snel in het zand neergezet. Eisse Blauw stapte op me af, een aan lager wal geraakte visser, die genoodzaakt was zijn kotter te verkopen toen de prijzen van olie in de jaren ’80 hard stegen. Nu was hij noodgedwongen smokkelaar. Aan niets kon ik zien dat het hem deerde. Of hij nou op kokkels viste, of clandestiene alcohol naar het eiland smokkelde, op zee moest hij zijn, en op zee was hij gelukkig. Ik gaf hem zijn loon, een handvol briefjes, een paar losse daalders. Uit mijn tas haalde ik nog een gestroopt konijntje, gewikkeld in vetpapier. ’s Mans ogen begonnen te glimmen, en gretig nam hij het pakje aan. Ook al was het een magere, zijn familie zou deze dagen tenminste vlees kunnen eten. Hij tikte tegen zijn muts, en zonder er meer woorden aan vuil te maken nam hij het roer en beval de roeiers zich op te maken voor de inspannende terugtocht door de branding.

Op mijn fluitsignaal verrezen drie mannen uit de duinen, onder wie ik mijn vader wist. Met leren riemen bonden ze de kisten op hun rug, en keken naar de duinrand. De roeiers moesten door de branding, wij moesten over de duinen. Ieder zijn eigen kruis. Binnensmonds vloekend, struikelend over verborgen kuilen en onze kuiten snijdend aan het helmgras, bereikten we de schuur. De stormlamp, wiegend in de wind, verspreidde een welkom licht, en ik zag het silhouet van mijn oudste broer, afgetekend voor de deur. Met een zucht van verlichting lieten de mannen de kisten van hun schouders glijden. Mijn broer bedekte ze snel met hooi, maar vader hield een kistje apart. “Zo, hier zullen de Mandelstams blij mee zijn”, zei mijn vader terwijl hij een fles Bols uit een van de kisten greep, waar ze stevig in houtwol verpakt zaten. Iedere kerst nam mijn vader zich weer voor om de bij hem ondergedoken joden te vertellen dat de Tweede Wereldoorlog al een tijdje afgelopen was. Maar het was nu al de avond van Tweede Kerstdag, en door de kieren in de geblindeerde ramen kon ik nog net zien dat het luik in de valse wand nog potdicht zat. Ook al was het kerst, je kon nooit zeker weten of er die avond niet een patrouille zou zijn.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *